hier ben ik

Wil je meer weten over de zin(nen) van mijn leven? Klik op de groene menu-knop.
Maar ook onder de bank en de zee kan je verder lezen…

IMGP4645

Advertenties

adem

Soms schreef ik aan mijn moeders bed: woorden, herinneringen, mijn toekomst.
Vaker keek ik naar buiten of diep naar binnen. Maar altijd was er het opkijken – van het scherm, van de wereld, van mezelf – bij haar adem die plots stopte. Het dichterbij gaan dan. En als bij een kind dat diep slaapt: een wang bij haar mond houden. De opluchting als daar na even toch weer een zuchtje lucht langs streek. Spaarzaam. Want bijna haar laatste. Voorzichtige vingers op haar dunne haren leggen, aarzelen en toch zeggen dat het goed is zo, haar even in de verre ogen kijken.
In zo ’n ogenblik wist ik niet wat ik had moeten hopen. Dat ze haar adem weer vond. Of dat ze zachtjes haar leven had mogen uitblazen. Nog een laatste keer. Alle kaarsjes tegelijk.
En of ze dan een wens mocht doen?
In de nacht waarin ze haar adem verloor: een regen van vallende sterren. Vanuit haar sterrenbeeld. Alsof ze terugging naar waar ze vandaan kwam.
En of ze dan een wens mocht doen.

mijn kop

Dat ik raar in mijn kopje roer. Merkten mijn dochters een tijd geleden verwonderd op. Sinds toen begrijp ik waarom ik koffie drinken zo vermoeiend vind. Roerend met mijn lepeltje laat ik het intussen ook ronddraaien tussen duim en wijsvinger. Vóór hun opmerking was roeren in een kop koffie pure intuïtie. Nu doe ik verwoede pogingen om het anders te doen. Maar intussen vergroeide het hardnekkig met mijn hand, het lepeltje. Zoals mijn andere hand met een lok haar, om krullend bij mezelf te komen.
Vele koffies later viel het deze week in zijn plooi, het lepeltje en meteen ook het heelal. Mijn oudste dochter studeerde haar toets over de maan die draait. Dat ging vlot, het studeren. Gelukkig, want ze weten dat ze op me kunnen rekenen, mijn dochters, maar niet voor cijfers en de logica van het hoofd. Daarvoor schakel ik een hulplijn in, mijn wetenschapper in huis. Hemel en aarde zijn we. Met het hoofd tussen de sterren, ik. Met de voeten op aarde, hij. Ergens daartussen vinden we elkaar. Zijn missie deze week: onze dochter ondervragen en mij de maan verhelderen, met didactisch materiaal uit de fruitmand. Een rijpe tomaat werd de zon, een mandarijn stelde de aarde voor en een kerstomaatje verbeeldde de maan. Van eerste kwartier tot laatste kwartier, mijn wetenschapper liet de maan en de aarde draaien, de maan rond de aarde en rond haar as. Stil stond de tomaat te schijnen, nu eens op de voorkant dan weer op de achterkant van de maan. Een donkere kant heeft de maan dus niet, wist hij. In tegenstelling tot mezelf, dacht ik. Van maan tot maan leef ik, ergens tussen melancholie en verduistering.
‘En weet je wat straf is,’ zei mijn wetenschapper tegen onze dochter maar zijdelings ook tegen mij – mijn gedachten alweer cirkelend in banen in mijn hoofd – ‘eigenlijk draait de maan rond de aarde zoals mama in haar kopje koffie roert. Daarom zien we nooit haar achterkant, van de maan.’
Of hoe mijn draaiend lepeltje een alomvattende verklaring krijgt, mijn roeren een weerspiegeling van de kosmos is. Wat een inzicht heeft hij in mijn kop.

catharsis

Zeldzaam zijn ze in mijn leven. Avonden daverend van muziek. Omdat ik ze zorgvuldig mijd of uitkies – liever laat ik me languit liggend verleiden door woorden en klank – en misschien ook omdat ik geen blijf weet met mijn lichaam. En met mijn glas. Schaduw tussen de schaduwen, wiegend, springend. Blij dat ik niet vlak achter de man sta die zich helemaal laat gaan en die ik bewonder, net daarom.
Daar in het donker tussen de massa vind ik houvast bij mezelf en tegen de houten wand, die trilt wat ik hoor en voel. En dan gebeurt het. De bas neemt het over van mijn hart. Dan stromen de tranen en twee nummers later raap ik in het donker dapper mijn leven bij elkaar en weet ik dat ik gelukkig ben. En als ik nog niet helemaal, dat ik het aan het worden ben. Gelukkig en dichter bij mezelf.
Dit is dus een catharsis – komt mijn hoofd tussen  – zoals in de oude lessen Grieks. Mijn hoofd komt wel vaker tussen, soms met verstandige dingen. Meestal valt het in herhaling. Maar mijn hart zegt dat het klopt. En daar sta ik, schaduw tussen de schaduwen, mens tussen de mensen. Gelouterde kleine held van mijn leven.
Warm wandel ik de koude nacht in en het klopt nog steeds, zoals de muziek in mijn oren. En daar liggen ze. Een man en een vrouw en tussen hen in een kind dat een doosje bestudeert. Zoals een baby dat doet met vingers en ogen en mond. En mensen gaan uit en naar huis en aan hen voorbij. En ik weet dat het niet klopt. Dit weggegooide, niet opgeraapte leven. En de wereld die hen achterlaat in de donkerte van het lot. Dat dit pas een catharsis is, dat weet mijn hoofd. In al je raakbaarheid geraakt worden door het drama van de wereld, de tragedie van de echte held.

herfst

Ik deel de middag met mijn dochter. Als ze me ziet, steekt ze de straat over en begint aan het verhaal van haar voormiddag in flarden en vergeten momenten, tussen zot en ernstig. Dat ze het fijn vindt om even niet in de drukte van de eetzaal te moeten, vertelt ze honderduit. Maar dat het wel spijtig is dat ze de tomatensoep met balletjes nu mist. Na het eten kruipt ze nog even met zichzelf in een hoekje. Dan holt ze – kushandjes gooiend – de straat weer over, naar het rumoer van de speelplaats. Want ze wil nog wel wat spelen.
Ik stap op mijn fiets en waai dwars door de herfst.
De rest van de middag deel ik met mijn moeder. Als ze me ziet, zit ze in haar rolstoel en zwijgt het verhaal van haar dagen in flarden en vergeten momenten, tussen doods en stil. Of ze het fijn vindt om in de drukte van de eetzaal te moeten, vraag ik haar. En dat het spijtig is dat er teveel vezels in de soep zitten vanmiddag, zodat ik die haar niet kan geven. Na het eten doet ze de ogen dicht. Dan rij ik haar door de gang, naar de stilte van haar hoofd. Want ze wil nog wel wat rust. Denk ik.
Ik stap op mijn fiets en waai naar huis.
Op één middag gaat het van lente naar winter, in alle kleuren van het leven.
Wat rest van de tijd deel ik met mezelf. En met koffie. En met uitzicht op de bomen in al hun herfst. Tot de lente weer luchtig als dochters het huis binnenstroomt, met verhalen van een dag uit het leven.

post

Hier heb ik altijd van gedroomd: een brievenbus die met een deurtje uitkomt in de hal. Zodat ik – nog blozend van de nacht – onzichtbaar blijf voor de blikken van de wereld. Al valt dezelfde wereld langs die weg ook mijn leven binnen. Met een zachte bries of een kille wind. In uitroeptekens of in doodse stilte. Wat ze me dag na dag ook voorspiegelt, ik blijf houden van de krant. Vooral in de zon aan de keukentafel. En van post van hand tot hart. Het raden van het handschrift, de stempel die de herkomst verraadt, het ontcijferen van woorden. Ergens nam iemand de tijd om mij te schrijven. Van mens tot mens. Niet te wissen. Zeldzaam. En toch. Telkens als ik de trap op ga, doe ik het deurtje open. Zoals facebook checken. En nog eens. Klik (open), klik (dicht), klik (vind ik leuk).
Nu het huis van mijn ouders niet langer het hunne is, wordt de post omgeleid via mijn droombrievenbus. Zo waaien herinneringen aan hun leven onverwacht het mijne binnen. Mensen en dingen die afgehandeld moeten worden. Of doorgezegd indien van levensbelang. Enkele maanden de tijd krijg ik om de wereld te laten weten dat zij niet meer wonen waar ze woonden, niet meer zijn wie ze waren. Dat ze geschrapt mogen worden uit het adressenbestand van het leven.
Onzichtbaar zijn voor de blikken van de wereld. Was dat waar ik van droomde?